> Wapenschild van Karel II de Lalaing, neef van Antoon de Lalaing. Fragment van een glasraam uit de Sint-Katharinakerk van Hoogstraten.

 



Stedelijk Museum Hoogstraten

Het Stedelijk Museum van Hoogstraten, gelegen op één van de mooiste begijnhoven van Vlaanderen, presenteert het erfgoed van Hoogstraten met permanente aandacht voor het begijnhof, de prehistorie en kunst in Hoogstraten. Het begijnhof van Hoogstraten ontstond in de 14de eeuw en is UNESCO-werelderfgoed. In de opstelling rond de prehistorie is er vooral veel aandacht voor de "Meirberg", een belangrijke archeologische site voor de steentijd. Tenslotte is er een permanente opstelling rond kunst in Hoogstraten met onder andere enkele werken van Jan Huet en Alfred Ost. Hiernaast worden elk jaar nog vier tijdelijke tentoonstellingen georganiseerd rond diverse onderwerpen.


Het Stedelijk Museum Hoogstraten

Praktisch:
Het museum is geopend van woensdag tot en met zondag van 14.00 tot 17.00 uur en na afspraak. De toegang tot het museum is gratis. Voor reservatie van een gids, kan u contact opnemen met de toeristische dienst van Hoogstraten op 03 340 19 55 of toerisme@hoogstraten.be.

Contact:
Stedelijk Museum Hoogstraten
Begijnhof 9
2320 Hoogstraten
Tel: 03 314 65 88
E-mail: museum@hoogstraten.be
Web: www.erfgoedbankhoogstraten.be

Vaste opstelling

Kunst in Hoogstraten. Het stedelijk museum stelt een vaste presentatie voor rond kunstenaars in Hoogstraten. Zo komen Alfred Ost en Jan Huet prominent naar voren. Alfred Ost werd geboren in Zwijndrecht en liep school in het Klein Seminarie te Hoogstraten. Rond 1910 belandde hij te Mechelen. Daar, in de kolenzaak van zijn vader, zag hij de trekpaarden aan het werk en ontwaakte in hem de dierenschilder. In Mechelen en Antwerpen volgde hij zijn artistieke opleiding, samen met Prosper De Troyer en Rik Wouters. Tijdens WO I verbleef hij in Nederland, waar hij zich inzette voor noodlijdenden en krijgsgevangen. Hij kwam er ook in contact met de drukkerij Kotting, en tekende een groot aantal affiches. Terug in het land solliciteerde hij naar een leraarsambt aan de Academie. Niet opportunistisch ingesteld, ging hij elke politieke groepering voorbij en bleef hij kandidaat zijn leven lang. Tenslotte werd hij tekenmeester in Antwerpen en Borgerhout. Ost werkte heel zijn leven lang aan 'het oeuvre voor het volk'. Hij wilde bijna nooit zijn werk verkopen. Voor Hoogstraten tekende hij een indrukwekkende reeks rond de Heilig Bloedprocessie. Op 9 oktober 1945 stierf hij te Antwerpen in de Eeuwfeestkliniek.

Jan Huet werd op 19 mei 1903 in Wortel geboren en volgt de Grieks-Latijn aan het klein seminarie te Hoogstraten. Van 1925 tot 1930 volgt hij een opleiding aan het Hoger Instituut voor Kunstambachten te Elsene en wordt laureaat van de Sint-Lucasschool en het Hoger Instituut te Sint-Gillis-Brussel, met een studie over brandramen. Zijn leven en werk is sterk verbonden met de Kempen en de streek van Hoogstraten in het bijzonder. Zijn verwondering om de schoonheid van deze landelijke streek en zijn christelijke opvoeding liggen aan de basis van zijn werk. Jan Huet schildert "wat de Kempen eigenlijk is, de grond waaruit alles groeit. De grond die de mens conditioneert." Uit de Wortelse grond, de schoonheid van het landschap, zijn respect voor de hardwerkende mens en zijn diep religieus beleven groeide zijn drang om te tekenen, te schilderen, te etsen, te dichten, te filmen en natuurlijk glasramen te maken. Jan Huet bleef steeds trouw aan zijn karakter en principes, de twee polen waarover deze unieke man zijn leven getrokken heeft. Hij werkte vanuit het leven, met een kenmerkende spontaneïteit van gevoelen en artistieke eerlijkheid. Jan Huet is gestorven in Antwerpen op 2 april 1976. Het was zijn wens om in zijn geboortedorp Wortel begraven te worden.


Jan Huet, Hooioogst in de beemden,1972

De prehistorie. Voor de permanente bewoning in de regio Hoogstraten, waren er eerst vormen van tijdelijke bewoning. Zowel uit de steentijd, bronstijd als ijzertijd zijn er sporen gevonden. Het gaat hier om tijdelijke nederzettingen. We kunnen pas met zekerheid spreken van een permanente bewoning vanaf de 12de en 13de eeuw. Vanaf die periode getuigen de eerste archiefstukken over de verschillende dorpen.
De steentijd: De oudste aanwezigheid van bewoning vinden we terug in Meer op de Meirberg, een oude duin met nu verdwenen moeren. Op het einde van de oude steentijd zo’n 13.500 jaar geleden kampeerden jagers-verzamelaars bij voorkeur op hoger gelegen plaatsen in de nabijheid van water. Deze mensen waren nomaden en jaagden er op eland, oerrund, edelhert en reeën. Ook wolven, beren, heel wat vogelsoorten en vissen stonden op het menu. Ze woonden in tijdelijke kampen, in onze streken waarschijnlijk in tenten bedekt met dierenhuiden. Deze groepen behoorden tot de Federmesser-cultuur, een benaming die teruggaat op het meest kenmerkende werktuig, een spits met afgestompte boord, lijkend op het lemmet van een zakmes, of in het Duits “Federmesser”.


Pijlpunt uit de Steentijd

Over de bronstijd in onze regio is weinig geweten. Wel is er een depot van bronzen bijlen gevonden in de Vlamingstraat te Hoogstraten, maar geen nederzetting. Waarom men dergelijke depots begraven werden, weet men niet met zekerheid. Gaat het hier om het verstoppen van waardevolle voorwerpen als bescherming tegen diefstal of om het offeren van rijkdom als uiting van status? In Minderhout aan de Beemden werd een grote cirkelvormige verkleuring in de bodem ontdekt. Mogelijk is het de greppel rond een kleine grafheuvel.
Er verschillende nederzettingen uit de ijzertijd gevonden. In tegenstelling tot de Meirberg waren de bewoners geen jagers-verzamelaars meer, maar wel landbouwers. In Meer aan de Zwaluwstraat werden sporen van vermoedelijk vijf woonhuizen, verschillende bijgebouwtjes en enkele waterputten gevonden. De huizen waren opgetrokken uit hout, als dakbedekking werd riet of stro gebruikt. De wanden bestonden uit met leem bestreken vlechtwerk. Vermoedelijk leefden mens en dier onder één dak. Ambachtelijke activiteiten zoals spinnen, weven en pottenbakken gebeurden ter plaatse. Ook in Minderhout aan de Beemden werden sporen van de ijzertijd gevonden. Bij het archeologisch onderzoek werden heel wat aardewerkscherven opgegraven, meestal afkomstig van handgevormde voorraadpotten gemaakt uit ruwe, donkere klei. Een bijzondere vondst zijn twee spinschijfjes. Dit zijn kleine schijfjes uit klei die men gebruikte als gewichten om de woldraden uit te rekken zodat ze makkelijker konden spinnen.


Spinschijfjes gevonden te Minderhout

Het begijnhof. Vermoedelijk ontstond in het begin van de 14de eeuw het begijnhof van Hoogstraten. Het wordt een eerste keer vermeld in 1381, maar is zeker ouder. Het begijnhof kende zijn hoogtepunt in de 17de eeuw. Het begijnhof nam dan zijn grootste uitbreiding en telde in 1693 zelfs 178 begijnen. In 1972, na bijna zeven eeuwen aanwezigheid in Hoogstraten, stierf de laatste begijn. Vandaag is het begijnhof prachtig gerestaureerd en door UNESCO tot werelderfgoed verheven.


Begijn Poppelaers in het begin van de twintigste eeuw

Anders dan kloosterlingen legden begijnen geen gelofte van armoede af, maar waren wel bereid in kuisheid hun leven te wijden aan gebed, handenarbeid en ziekenzorg. Begijnen leefden als zelfverzorgende gemeenschappen met eigen inkomsten. Elke begijn stond in voor haar eigen levensonderhoud en het begijnhof beschikte over de renten van erfenissen en schenkingen. Begijnen verdienden nog bij door het noppen van ruw geweven laken, het maken van lijnwaad, naald- en kantwerk of door kinderen ter opvoeding aan te nemen.
Binnen het begijnhof waren verschillende functies. De pastoor was verantwoordelijk voor de parochie van het begijnhof en deed de diensten in de begijnhofkerk. De kerkmeesteres beheerde de bezittingen van de begijnhofkerk. De kosteres zorgde voor het luiden van de klokken en onderhoud van de begijnhofkerk. De hofmeesteressen zorgden voor tucht, bestraffingen, aanvaarden van nieuwe begijnen, beheer van de goederen van de gemeenschap en het verlenen van toelatingen zoals het verlaten van het begijnhof. Zij waren normaal met twee en werden in geheime stemming verkozen door de begijnen. De rentmeesteressen stonden de hofmeesteressen bij in het beheer van de goederen.De provisor stond de begijnen op geestelijk en materieel vlak bij. Hij moest het begijnhof minstens elk jaar bezoeken en daarbij mocht hij weerspannige begijnen berispen en nieuwe regels uitvaardigen. Er was ook een procurator die optrad als zakenwaarnemer. Hij had geen medezeggenschap in het beheer van de goederen, maar had wel toezicht op de hofmeesteressen. Zijn advies moest steeds ingewonnen worden bij een koop, verkoop, proces of bouwwerken. Tenslotte waren er nog een aantal kleinere functies zoals de poorteres die verantwoordelijk was voor het sluiten van de poorten of de zangers, meestal jonge begijnen, die belast waren met het opluisteren van de liturgische diensten.
Nummer 9 was vroeger het conventshuis, dat ook lange tijd dienst deed als infirmerie. In het conventshuis woonden arme begijnen in gemeenschap en novicen onder leiding van de conventmeesteres. Nu is er het Stedelijk museum van Hoogstraten gevestigd.
De barokke kerk werd ingewijd in 1687. Rond 1640 was men reeds begonnen met de bouw van een nieuw koor. Ze is toegewijd aan Sint-Jan Evangelist en de Heilige Begga. Het barokke interieur van de kerk is nog prachtig bewaard. De predikstoel uit hout door Theodoor Verhaegen is een meesterwerk van de barok uit het begin van de 18de eeuw. In het zijaltaar bevindt zich een schilderij van de Heilige Begga, de patroonheilige van de begijnen. Met een hertogelijke kroon en aureool op het hoofd zit zij voor een kruisbeeld op een bidstoel, bedekt met een tapijt. Daarop leest men in een open boek de levensregel van de begijnen:" ootmoedigheijd, zuijverheijd, gehoorzaemheijd".

 

 
      Erfgoedbank Hoogstraten - www.erfgoedbankhoogstraten.be - © Stedelijk Museum Hoogstraten